De identificatie van de profeet met de dorre beenderen roept pijnlijke vragen op en leidt zelfs tot een geloofscrisis. Toch lijkt deze vereenzelviging met de ‘vervlogen hoop' van zijn volk een voorwaarde voor God om door de mond van deze profeet een verlossend woord van opstanding te spreken.
De hand van de HEER kwam over mij; zijn geest nam mij mee en zette mij neer in het dal dat vol beenderen lag. Hij leidde mij er in alle richtingen doorheen en ik zag hoeveel er over het hele dal lagen en hoe dor ze waren. Daarop vroeg Hij mij: ‘Mensenkind, zouden deze beenderen nog tot leven kunnen komen?’ Ik antwoordde: ‘HEER GOD, U weet het.’ Ezechiël 37:1-3 (WV95)
2005
Olieverf op doek
110 x 110 cm